Een gewetensbezwaarde en een beroepsmilitair stapten samen op de trein in Brussel-Noord. Ik was die gewetensbezwaarde en het werd een fantastisch gesprek vol wederzijdse interesse en nuance.
Ik zou wat meer gesprekken moeten aanknopen, op de trein, maar zo zijn we niet. Afgesloten achter de laptop, zoals ik, nu. Of een krant of een boek of gewoon slapen.
We zouden meer gesprekken moeten aanknopen en dan ook echt luisteren, zeker als er iemand tegenover ons zit die er een andere mening op nahoudt. Want als je dan naar elkaar kunt luisteren in plaats van je discussiërend terug te trekken achter de linie van het eigen grote gelijk, dan wordt het pas écht interessant!
Ook ik ben nog jong geweest, in de tijd dat BMX’en en mountainbikes nog moesten worden uitgevonden en Roger De Coster de beroemdste der gemotoriseerde moddervreters was. Het was 1977, ik woonde in Blaasveld en ik ging bij Ivan spelen, die stoer rondreed met een echte Raleigh Grifter (mooie foto’s hier), waarnaast mijn nieuwe oranje jongensfiets maar een kneusje leek.
Een jaar later waande Ivan zich op een oude brommer zijn tuin omploegend al helemaal Roger De Coster. Ik heb één keer met zijn aftandse Mobylette mogen rijden en bolde stomweg tegen een muur. De Costers troonopvolger André Malherbe had duidelijk niets van mij te vrezen. Voor zover ik weet heeft Ivan ook geen potten gebroken in de internationale motorcrosserij.
Maar mijn Vero vouwfiets heeft nu, net als die Grifter toen, wel stoere twist-shift versnellingen aan het handvat. Vitessen in het stuur en een stevige pot op, zo ben ik 30 jaar na datum toch nog een beetje Roger De Coster. Misschien moet ik net als Ivan toen ook nog speelkaarten tegen m’n wielspaken laten ratelen terwijl ik door Brussel cross?
… dat als we “nee” zeggen, dat eigenlijk “ja” betekent
… dat bezopen zijn een excuus is voor hun daden
… dat hun maat te verontschuldigen is omdat “hij jong is”, “het niet goed met hem gaat” of omdat “hij niet gevaarlijk is”
… dat zich durven verdedigen tegenover opdringerigheid hetzelfde is als “seksueel gefrustreerd zijn” , “slecht geneukt zijn” en “geen humor hebben”
… dat ze zich zomaar tegen ons aan kunnen schurken zonder te vragen en we daar zin in hebben
… dat ze ons mogen afbreken of klote-opmerkingen maken omdat we wijven zijn
… dat wanneer we gemaquilleerd, in jurk of rok of met een décolleté rondlopen, we hen de toelating geven om ons op te vrijen en dat we daar dan niet over moet komen klagen
… dat we publiek bezit zijn als we niet als koppel op straat komen
… dat als we hen niet willen, dat is omdat we al “bezet” zijn (= bezit van een ander mannetje) … dat wanneer men een vuurtje geeft, men ook sex verplicht is … dat wanneer we hen vuur geven, we daarna ook sex verplicht zijn
… dat als men hen ophitst, men ook seks is verschuldigd
… dat een seksuele relatie sowieso eindigt met penetratie en/of ejaculatie
… dat ze ons beledigen door ons als feministe te behandelen
Aan iedereen die zich niet geviseerd voelt maar die het wel zou moeten zijn
Vorige week waren er bij Brussel-Noord (aan de kant van de rosse buurt) wildplaksters actief. Ze hingen verschillendezwart-wit affiches op, met daarop Franstalige teksten die grosso modo over “vrouw en vrijheid” lijken te gaan. Deze sprong daarbij wel het meest in het oog, al was het maar omdat het stinkend urinoir in de Aarschotstraat ermee beplakt was:
“On vous emmerde et ça va chier!”, Aretha had het niet beter kunnen zeggen!
Het is nog wel geen april en ik fiets -ondanks gezenuw met huizen en andere onaangename dingen- niet triest door de sneeuw, maar een beetje “Sometimes it snows in April” neuriën leek deze ochtend wel toepasselijk. Op de oude spoorwegbedding tussen Eksaarde en Lokeren zag het er immers zo uit:
update op vraag van sas; hieronder kun je “sometimes it snow in april” van prince (en wendy & lisa, die de muziek schreven) beluisteren, gevonden via seeqpod;
Een tijdje geleden hoorde ik op de trein twee oudere pendelaars praten over de onwil van Franstaligen om Nederlands te leren. ‘Pardon’, onderbrak ik de vurigste van de twee, ‘Pardon, maar waar ik werk worden tijdens de werkuren cursussen Nederlands gegeven en er zijn echt veel Franstalige collega’s die dat volgen.’
‘Ah, da’s toch interessant’ zei de gematigde medereiziger, waarop de andere enigszins gepikeerd riposteerde met ‘Ja maar, dat is bij bedrijf XYZ ook zo, maar kennis van de andere taal is verplicht om promotie te kunnen maken en dat is de enige reden waarom Franstaligen daar Nederlands willen leren!’
‘Misschien’, zei ik, ‘maar aangenomen dat dat klopt, is het dan nog geen sterk signaal dat een bedrijf van haar medewerkers de facto inspanningen voor tweetaligheid verwacht? Toont het feit dat Franstalige collega’s me vragen om Nederlands te spreken, niet aan dat er tussen de mensen toch wederzijds respect is, over de taalgrens heen?’ De twee mannen konden enkel instemmend knikken, onder de indruk van zoveel redenaarstalent.
Niet dus. In werkelijkheid bekende ik schaapachtig dat ik niet wist of de blinde ambitie van mijn Franstalige collega’s de enige reden is waarom ze Nederlands te volgen. Waarom ben ik soms toch zo sloom, mensen? Niet genoeg koffie, misschien?